Een groot deel van deze 20.000 mensen zonder verblijfspapieren in Rotterdam scharrelt zijn eigen kostje bij elkaar. Zo’n 5 tot 10% doet in meer of mindere mate een beroep op het vluchtelingenwerk en de medische dienst van de Pauluskerk. Het gaat globaal om de volgende groepen mensen:
- Mensen voor wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning nog loopt.
- Mensen die uitgeprocedeerd zijn en dus Nederland uit moeten, maar die niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst.
- Moeders met jonge kinderen.
- Een groeiende groep mensen met medische problemen, zoals: zieke illegale verslaafden, ouderen boven de 50 jaar en mensen met psychiatrische klachten.
Het aantal mensen dat het vluchtelingenspreekuur bezoekt, groeit sinds jaren weer. Gemiddeld komen er 70 tot 80 mensen per week op dit spreekuur.
De stichting Ondersteuning Mensen Zonder verblijfstitel (OMZO) wil de komende jaren nog zichtbaarder zijn en zich nog beter inzetten voor de mensen zonder verblijfpapieren in Rotterdam. Daartoe heeft ze de volgende plannen:
- Vergroten van de bekendheid van OMZO.
- Uitbreiding van het vluchtelingenspreekuur.
- Uitbreiding van tijdelijke opvang (in afwachting van de mogelijkheden in de nieuwe Pauluskerk in 2012).
- Uitbreiding van het aantal wekelijkse bijdragen aan mensen voor levensonderhoud.
- Uitbreiding van juridische ondersteuning.
- Beïnvloeding van de landelijke en lokale politiek, zodat de positie van mensen zonder verblijfspapieren structureel beter wordt. Bepleiten van tenminste een gemeentelijk noodfonds.
- Draagvlak creëren bij de Rotterdamse bevolking voor het bespreekbaar maken van de positie van mensen zonder verblijfspapieren.
- Regelmatig overleg met Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) over hulp aan mensen die hier geen toekomst hebben en bereid zijn terug te keren naar hun land van herkomst.
Het diaconale werk van OMZO komt ten goede aan mensen die de elementaire levensbehoeften moeten missen, zoals eten, kleding, een dak boven het hoofd en veiligheid.
‘Zij zijn gekomen uit lijfsbehoud, om politieke redenen, in de hoop op een betere toekomst. Zij komen uit zo’n 64 landen, uit Somalië, Sierra Leone of Kaapverdië of waar dan ook vandaan in onze wereld, die almaar kleiner wordt. Zij leven onder ons, lopen op straat, eten, slapen, werken, soms, in ons midden. Wij beschouwen hen doorgaans niet als mensen, maar als criminelen. Althans zo gaan wij met hen om. Criminelen, die wij opsluiten of in ieder geval zo snel mogelijk het land uit willen hebben. En dat terwijl de meesten van hen strafrechtelijk niets hebben bedreven.’
ds. D. Couvée, diaconaal predikant Rotterdam