Geven als geloofsdaad

Blog

donderdag 12 oktober 2017Het schijnt dat Luther eraan twijfelde of de brief van Jacobus wel echt in de Bijbel hoorde. Voor Luther ging het om sola fide – alleen geloof. Je kunt je verlossing niet verdienen door goede daden te doen. En juist die daden zijn belangrijk in Jacobus. Vandaag praatte ik erover met onze studenten.

Broeders en zusters, wat heeft het voor zin als iemand zegt te geloven, maar hij handelt er niet naar? Zou dat geloof hem soms kunnen redden? Als een broeder of zuster nauwelijks kleren heeft en elke dag eten tekort komt, en één van u zegt dan: ‘Het ga je goed! Kleed je warm en eetsmakelijk!’ zonder de ander te voorzien van de eerste levensbehoeften – wat heeft dat voor zin? Zo is het ook met geloof: als het zich niet daadwerkelijk bewijst, is het dood.

Jacobus 2:14-17

Onze studenten zijn het er wel mee eens. Je moet wel kunnen zien dat iemand gelooft. Wie zich Christen noemt, moet zich ook Christelijk gedragen. Dat betekent niet dat alleen je daden belangrijk zijn. Nee, je moet een handelend geloof hebben; een geloof dat je inspireert tot actie.

Ik denk dat we daar allemaal wel mee kunnen instemmen. Maar ook ‘je moet een handelend geloof hebben’ kan een lege kreet blijken. Ik vertel dat ik me uitgedaagd voel door het voorbeeld dat Jacobus geeft: als een broeder of zuster geen kleren of geen eten heeft, en je zegt alleen maar ‘het ga je goed,’ dan laat dat niet echt een handelend geloof zien.

Student Chimba vertelt dat hij wel eens bij een workshop is geweest over het onderwerp ‘dominee-zijn en geven’. Veel dominees blijken het moeilijk te vinden om liefdadigheid te tonen aan wie het nodig is. “Misschien nemen ze het geld, en spreken ze er een spreuk over uit waardoor jij als dominee in de problemen raakt,” zegt hij. Philimon reageert: “Ja! Ik weet van een vrouw van een dominee, die had geld aan een bedelaar gegeven, en daarna werd ze gek. En van een andere dominee hoorde ik dat als je geld geeft aan een blinde, dat dan je familie ook blind wordt.”

Het verbaast me, deze verhalen die waarschuwen voor geven. “Ik dacht dat jullie altijd zo trots waren op gemeenschapsleven, en zorgen voor elkaar!” zeg ik. De studenten mompelen wat. Maar zelf vind ik geven ook niet gemakkelijk. Gisteren kwam ik een jongen tegen op straat. Zijn kleren waren gescheurd, en er zaten grassprietjes in zijn haar. Hij leunde op een biljartkeu, en was duidelijk – om tien uur ’s ochtends – al dronken. We groetten elkaar: “Goodmorning, how are you?” “I am not fine,” zei hij. Ik vroeg of hij een probleem met zijn been had, dat hij een stok nodig had. Hij begreep me niet. “Mama just give me a five kwacha,” zei hij. Vijf kwacha – het is niet meer dan 50 cent. Ik zei: “Nee, ik ga je geen vijf kwacha geven. Maar ik hoop dat je je snel beter voelt.” Hij keek me onbegrijpend aan, zijn ogen met moeite gefocust op mijn gezicht.

Ik heb medelijden met deze jongen. Zijn ouders werken en kunnen hem prima onderhouden. Maar hij zit bij huis, gaat niet naar school, heeft geen werk. Zijn dagen vult hij met drinken. En als hij dronken is wil hij graag dingen hebben – een bal, of vijf kwacha. Ik zou best vijf kwacha kunnen missen. Maar wat helpt het hem? Hij heeft, denk ik, iets anders nodig. Misschien een doel in zijn leven. Of een luisterend oor. Iets dat hem helpt van het bier af te blijven en iets te maken van zijn leven. Vijf kwacha geeft dat allemaal niet. ‘Ik hoop dat je je snel beter voelt’ ook niet, trouwens.

“Wat doe je, als je iemand tegenkomt die je vraagt om vijf kwacha, en je ziet dat hij al dronken is?” vroeg ik mijn studenten. “Als iemand dronken is, en vraagt om geld, geef ik dat echt niet,” roepen verschillende studenten, “hij gaat er toch alleen maar meer bier van kopen.” “Zelfs al is het mijn eigen broer!” vult Dexter aan, “mijn broer komt soms bij mij als hij gedronken heeft, en vraagt dan om geld. Ik stuur hem dan weg. Als je je geld opmaakt aan drank, en dan kom je erachter dat je familie honger heeft, dan heb je niet de goede prioriteiten gesteld. Ga dat eerst maar eens leren.”

We zijn allemaal geneigd om te letten op de achtergrond van degene die om geld vraagt. Is hij te vertrouwen? Gaat hij het geld uitgeven aan een goede zaak? We bedenken dat je, als iemand vraagt om geld om eten te kopen, hem ook wat eten kunt geven. Of met hem kunt meelopen naar de winkel en daar eten voor hem te kopen. Dan weet je zeker dat het geld goed terecht komt.

“Maar wacht eens even,” zegt Philimon, “waarom geven we eigenlijk? Geven we om een doel te bereiken, of geven we omdat wij, als Christenen, gevers zijn?” Nog een uitdagende vraag! “Je weet nooit wat er gebeurt met wat je aan iemand geeft,” zegt Mulanda, “en als je er eisen bij gaat stellen, is het dan nog wel echt geven?” Als je kunt geven, dan moet je dat gewoon doen, wordt de conclusie van de studenten. Geven omdat je het kunt, en dankbaar zijn dat je het kunt. Geven als een geloofsdaad en niet als een goede daad.

Een mooie, inspirerende Bijbelstudie. Wanneer en waarom geeft u eigenlijk?

www.kerkinactie.nl maakt gebruik van cookies.
De website van Kerk in Actie gebruikt cookies van Google Analytics om de eigen kwaliteit te verbeteren. Deze gegevens zijn anoniem gemaakt. Soms wordt echter inhoud getoond van Facebook, YouTube of Twitter; deze social media gebruiken hun cookies ook om advertenties te tonen. Lees meer over ons cookiebeleid.