Verhalen van verleden, heden en toekomst – deel 2

Blog

zaterdag 14 juli 2018Al een tijd geleden vroeg iemand aan mij: Wanneer komt het volgende deel over de Arara-vrouwen? Daar had ik toen geen antwoord op, want het boek zat nog in de pijplijn. Tussen de interviews doen en een echt boek in je handen hebben zit een lange periode, met name als daar ook nog een fase van vertalen naar het Arara bij komt.

Hoewel slechts een deel van de vrouwen in het Arara sprak, zijn de vertalingen genoteerd door mijn collega Jandira en mij. Op basis van de teksten in het Portugees zijn de hoofdstukken geschreven en vervolgens besproken met de vrouwen. Want de vrouwen zouden zelf nooit hun verhaal hebben opgeschreven: ze vertellen de verhalen en geven ze op die manier door aan de volgende generatie. Dingen opschrijven is niet onderdeel van hun cultuur: die heeft een mondelinge logica. Maar door de verhalen op te schrijven en te vertalen blijven hun woorden bewaard in een tijd waarin de veranderingen in de cultuur ervoor zorgen dat kennis heel snel verloren raakt. Zo kunnen jongeren hun eigen taal lezen, en kunnen mensen van buiten een inkijkje krijgen in een wereld die meestal niet open is voor hen. 

Van de week werd het boek afgeleverd en is het officieel uit. Hoogste tijd dus voor deel twee. Hieronder vindt u de verhalen van Joana Arara en Marli Peme Arara. Ik heb deze twee gekozen om een indruk te geven hoe in pak ‘m beet 30 jaar de wereld van de Arara compleet veranderd is. Af en toe heb ik tussen haakjes een korte uitleg toegevoegd.

De verhalen zijn door Jandira en mij geredigeerd zodat er zoveel mogelijk een thematische en chronologische volgorde is. Er zijn redelijk wat geografische aanduidingen in het eerste verhaal. Toen ik Jandira vroeg waar al die plekken zijn vertelde ze me dat zij dat ook niet wist en dat als je ernaar vroeg er een kant op gewezen werd. De Arara zouden de plekken niet kunnen aanwijzen op een kaart, want dat is, wederom westerse logica en niet die van de Arara die op een andere manier hun omgeving kennen en indelen. In het algemeen zou je kunnen zeggen dat de Arara in een gebied van honderden vierkante kilometers rondtrokken voordat ze zich settelden in de dorpen Iterap en Paygap "in de buurt" (het duurt ruim twee uur er te komen over ongeplaveide wegen) van de grote stad Ji-Paraná.

Hier, zonder verdere inleiding, volgen de verhalen (want die inleiding, die vindt u hier). 

 

Joana Arara 

IMG%200051.jpg

Begin

Ik ben in Riachuelo, waar vandaag de dag de boerderij van Mario Piloto is, geboren. Ik ben de dochter van Joaquina en José Maria en ik ben getrouwd met de pajé (een pajé is een religieuze leider en heler, NP) Cicero Arara. Toen ik klein was, vertrokken we uit Riachuelo en gingen we in Urupá wonen. We werkten daar in een rubberplantage voor een blanke die Urira heette. Hij was daar de baas. Ji-Paraná (de grootste stad in de regio, NP) was toen ook een rubberplantage. Er was alleen maar woud en er waren bijna geen blanken. Hier waren alleen maar inheemsen. In Urupá woonden ook de broer van Dutra, Firmino, Yari, Procópio, Papí, Peoro, Benedito, Cheba, Manuel Capiviri, Antonio, Janete, Manoro (andere leden van het Arara-volk, NP). De Arara werkten voor Urira in ruil voor eten en kleren. 

Maar de Arara vluchtten weg van deze plek, want Urira en de andere mannen wilden seks met de Arara-vrouwen en dat wilden zij niet. Urira liet de Arara-vrouwen alleen werken en de mannen  in een andere hoek, ook alleen. De vrouwen verzamelden houtskool en oogsten mais en bonen. Alleen de vrouwen deden dit werk en de kinderen bleven thuis. De mannen werkten gescheiden van de vrouwen en moesten de grond voor akkerbouw geschikt maken. De Arara hielden er niet van gescheiden te werken. De blanken maakten deze scheiding zodat ze de vrouwen konden pakken. Urira gaf me melk zodat ik niet huilde terwijl hij mijn moeder verkrachtte.

De Arara vonden deze situatie niet goed en daarom vluchtten ze. Een blanke vertelde één van de Arara-mannen dat een groepje blanken de Arara-mannen wilden doden zodat zij hun vrouwen konden pakken. Daarom vluchtten we in de nacht en lieten al onze spullen achter. We namen alleen de kleren die we aanhadden, onze hangmatten en onze geweren mee. We vluchtten te voet het woud in, langs de Machado Rivier totdat we bij de rubberplantage Penha aankwamen. 

 

Veel verschillende groepen

Een andere groep Arara verbleef in Riachuelo. Daar was een grote maloca (een groot gemeenschappelijk huis met een houten geraamte, bedekt met takken met overlappende bladeren) en daar woonden Cícero, de vader van Ireneu en de vader van Rosilda. De maloca was aan de ene kant van de rivier en de rubberplantage van Barroso aan de andere. De Arara werkten in de rubberplantage en voor zichzelf. Er was een andere groep Arara die in Penha woonde. De groep waar ik bij hoorde ging naar Penha, nadat we bij Uriria weggevlucht waren. Daar waren de groepen van Dutra en Firmino. Van daaruit trokken we naar verschillende plekken, met name naar Barreirão. Daar was veel wild om op te jagen. De groep die in Riachuelo was kwam ook naar Penha. In die tijd was ik al een tiener. Ik ben vooral in Barreirão opgegroeid. Ik woonde bij mijn oma, want ik hield veel van haar. Vroeger trokken de Arara veel van de ene naar de andere plek. We gingen ook nog naar Alquidea, naar het centrale dorp en uiteidelijk naar Iterap (dat is het dorp waar ze nu nog steeds woont, NP). 

Waar we ook woonden, we plantten mais, maniok, papaya, yam, aardappel en banaan. We plantten en daarna gingen we weer naar een andere plek. Later kwamen we dan terug om zaden te zoeken die we dan op een nieuwe plek plantten. In die dagen was er geen honger. Er was veel wild en er waren veel vissen. We kenden toen geen rijst. Rijst en bonen leerden we op de rubberplantage kennen. 

 

Mazelen

Het was in die tijd dat veel Arara overleden door de mazelen. Er was niemand die de mazelen kon behandelen. Iemand die ziek werd, overleed bijna altijd. De mazelen waren geen grap. Mensen gingen gewoon dood. Er overleden zoveel mensen dat we soms meerdere mensen in een graf moesten begraven. De mensen werden dichtbij de maloca begraven. Cícero hielp veel mensen begraven. Voordat de mazelen kwamen waren er veel Arara, in die tijd woonden we daar waar vandaag de dag Nova Colina (het dichtstbijzijnde stadje, NP) is. Daarna bleven er maar weinig over. En na de mazelen werden we ook nog aangevallen door de Gavião (een volk dat in hetzelfde inheemse gebied woont, NP). 

 

Cícero

In Penha leerde ik Cícero kennen. Ik wist toen nog niet dat ik met hem zou gaan trouwen. Er waren niet veel meiden en ook niet veel jongens. Dus op een dag vroeg mijn broer Benedito aan Cícero of hij met mij wilde trouwen. En hij accepteerde. Ik vond het wel een goed idee. Als Cícero het woud inging om te jagen of om rubberplanten te kappen, ging ik met hem mee. Benedito en mijn moeder raadden mij aan met hem mee te gaan zodat ik aan hem zou wennen. Ik heb drie zonen en drie dochters met hem. Mijn moeder begeleidde de bevallingen en ook Cícero hielp me. Twee dochters en een zoon zijn overleden. De twee meisjes, waarvan een al een tiener, zijn op dezelfde dag overleden. Ze hadden mazelen en daarna hepatitis. We zijn naar Ji-Paraná gegaan om hen te behandelen, maar toch zijn ze gestorven. Het jongetje van drie jaar is aan mazelen overleden. In die tijd woonde ik al in Iterap. 

Toen ik met Cícero trouwde was hij al pajé. Mijn vader was ook pajé. Als vrouw van de pajé help ik met het genezen en bij de rituelen, ik stel vragen aan degene die ziek is: hoe gaat het met haar, waar doet het pijn, wat ze voelt. Ik ben ook raadgever voor mijn kinderen en kleinkinderen zodat de kwade geesten ver van hen blijven.

 

Vroeger en nu

Toen we ophielden met het verhuizen van de ene plek naar de andere werd alles triester. Nu, vanwege de school van de kinderen, moeten we op een plek blijven. Vroeger waren er veel feesten, en veel macaloba (een gegiste of ongegiste drank van mais of maniok, NP). Nu blijven we maar zitten. En dat is tries.

 

Marli Peme Arara

IMG%200100%201%20.jpg

 

Beloften om te trouwen

Ik ben de dochter van Maria Luiza en Pedro Arara. Toen ik nog heel jong was werd ik beloofd aan Mercadoria Arara. Hij was wat ouder dan ik, en ik wilde niet met hem trouwen. Ik vond hem niet aardig, en ik wilde ook helemaal niet trouwen op dat moment. Hij stuurde me eten waarmee hij aangaf wel met mij te willen trouwen. 

In die tijd werden er feesten gegeven in de gemeenschap om de huwelijken te regelen. De ouders regelden de huwelijken van hun kinderen. Op het feest ging ik op een bank zitten en toen lieten ze Mercadoria naast me zitten. Ik vroeg wat dat te betekenen had. Mijn moeder vertelde toen dat ik met hem zou gaan trouwen. Ik ben toen weggerend. De vader van Mercadoria was boos op me, maar dat kon me niet schelen. Vroeger waren de huwelijken voor altijd. Er werd een feest met heel veel eten en drinken gegeven dat twee of drie dagen duurde. Soms wilden de meisjes helemaal niet trouwen, of twijfelde ze, maar dan was daar toch al de hangmat van de jongen bovenop de haar hangmat. 

 

Echtgenoot

Ik heb Eduardo hier in mijn dorp Iterap leren kennen. Hij is niet inheems. Ik vond hem erg leuk, maar niemand in de gemeenschap wilde dat ik met hem zou trouwen en de witte mensen van FUNAI (de overheidsinstantie die verantwoordelijk is voor inheemse aangelegenheden, NP) al helemaal niet. Om weg te vluchten van dit alles wilde ik met een Gavião of een Zoró (twee andere inheemse volkeren uit de regio, NP) of wie dan ook trouwen: als ik maar weg kon van dit alles. Eduardo is veel ouder dan ik. Na ons trouwen gingen we bij de Karipuna (weer een ander inheemse volk, NP) wonen, daar woonde mijn moeder met Caipu. We gingen daar wonen om de situatie hier voorbij te laten gaan. 

 

Studie

Ik ben op m’n elfde begonnen te studeren om lerares te worden. In 1992 begon ik aan een cursus die werd aangeboden door een NGO. Tijdens de cursus heb ik stage gelopen in mijn eigen dorp, waar ik de leraar van FUNAI observeerde. Toen die leraar vertrok nam ik zijn klas over. Ik had de cursus nog niet eens afgerond. Ik werd op gegeven moment in dienst genomen door FUNAI als docent. Ik gaf les in alle vakken en alles was in het Portugees. De NGO zorgde voor het lesmateriaal en we produceerden dat zelf in de cursus.   

Er waren toen maar weinig leerlingen, want er waren maar weinig kinderen. Hoewel het materiaal in het Portugees was, lukte het de leerlingen wel om wat te leren.

Toen ik met Eduardo trouwde stopte ik met lesgeven omdat we bij de Karipuna gingen wonen. Sebastião, mijn broer, nam mijn plaats in. De gemeente heeft hem toen een contract aangeboden. Er waren twee docenten op de school: Sebastião en een lerares van FUNAI. Toen ik terug kwam in het dorp, kon ik weer lesgeven en werd ik door de staat Rondônia in dienst genomen.

 

Project AÇAÍ en de Interculturele opleiding aan de universiteit

In 1999 werd het Project AÇAÍ onder de verantwoordelijkheid van de staat Rondônia gestart om inheemse docenten op te leiden. Ik, Sebastião en Rute begonnen met deze cursus. Nadat ik klaar was met die opleiding werden er alleen maar korte cursussen aangeboden voor docenten, totdat uiteindelijk de Federale Universiteit van Rondônia een interculturele docentenopleiding (die is speciaal voor inheemse docenten, NP) begon. Daar hebben we heel hard voor gestreden. Er was veel weerstand, met name vanuit de universiteit, maar er waren ook veel mensen die aan onze kant stonden. We hebben er hard voor gestreden dat de opleiding op de campus in Ji-Paraná zou worden gegeven. 

Het Project AÇAÍ heeft me veel kennis bijgebracht. Het leerde me mijn lessen te plannen en hoe les te geven. Het hielp me ook na te denken over de geschiedenis van mijn volk, om me te realiseren dat ik tot een inheems volk behoor. De interculturele bacheloropleiding gaf me nog meer kennis, en gaf me een perspectief op hoe ik mijn volk kan verdedigen. De opleiding gaf me inzicht in hoe de blanken inheemse volkeren hebben behandeld en nog behandelen, hoe de Braziliaanse Staat ons beschouwd en wat voor wet- en regelgeving er voor ons is. Gedurende deze opleiding leerde ik meer over mijn rechten en over de rechten van inheemsen, leerde ik een goede docent te zijn, een goede planning te hebben, om goed les te geven. Het was een lange weg, vijf jaar, maar ik ben erin geslaagd.

In 2016 werd ik aangesteld als leraar op B niveau zoals dat in de wet is vastgelegd. Ik heb de overheidstest (iedereen die door de staat is aangesteld moet een test doen, NP) gehaald en geef nu les in de eerste tot en met de vijfde klas. 

 

Interculturaliteit

Ik wil dat mijn leerlingen goed onderwijs krijgen; onderwijs dat onze cultuur, onze taal en onze gewoonten waardeert. Ze moeten ook de westerse kennis leren, want dat is ook belangrijk, maar zonder dat ze ophouden onze eigen kennis te waarderen. Dat is interculturele dialoog, toch? Ik wil graag dat de jongeren de mogelijkheid krijgen om verschillende soorten van studies kiezen: niet alleen maar de interculturele docentenopleiding om leraar of lerares te worden. Er zijn veel leerlingen die graag een academische opleiding op een ander gebeid zouden willen doen. Dat is ook belangrijk voor hun volk. 

www.kerkinactie.nl maakt gebruik van cookies.
De website van Kerk in Actie gebruikt cookies van Google Analytics om de eigen kwaliteit te verbeteren. Deze gegevens zijn anoniem gemaakt. Soms wordt echter inhoud getoond van Facebook, YouTube of Twitter; deze social media gebruiken hun cookies ook om advertenties te tonen. Lees meer over ons cookiebeleid.